Politiek Dagboek

Beschouwingen van Raphael Smit over Politiek Amersfoort en Omstreken

Archive for juni 2004

leave a comment »

Dinsdag 29 juni 2004

‘Heeft u wethouder De Wilde al gefeliciteerd?’ vroeg een verslaggever mij na afloop van de discussie over de integriteit van deze wethouder. Even schrok ik: ben ik iets vergeten, heb ik een fatsoensregel overschreden, ben ik een slecht verliezer? Mijn volgende gedachte was: we kunnen niet aan de gang blijven, nu het duale denken door de coalitiepartijen is afgeschreven, zal er nog wel veel vaker bestuurlijk misgedrag door de coalitiepartijen onder het vloerkleed worden geveegd. Elkaar de hand schudden doe je aan het einde van de match, en voor mij is het dossier Jan de Wilde nog lang niet gesloten. Dat blijft nog wel enkele jaren op de agenda staan.

Dat de coalitiepartijen de wethouder door dik en dun zouden steunen, was al direct na de brief van de SP, waarin vraagtekens werden gezet bij de transactie tussen de wethouder en de Stichting Utrechts Landschap, duidelijk. Het college heeft met deze aankoop ingestemd, dus heeft het hele college zich gecommitteerd. Elke kritische uitspraak tegenover de wethouder heeft dus consequenties voor het hele college. Op zo’n moment verliest het moraal het dus van de wil tot politiek overleven.

Dat levert aardige stijlbloempjes op, zoals bijvoorbeeld uit de mond van de PvdA-fractievoorzitter was te vernemen. Hij bekritiseerde de SP omdat deze partij de wethouder eerst verdacht had gemaakt en vervolgens om een onderzoek had gevraagd. Laakbaar gedrag, zo verweet hij onze tomato’s. De PvdA gaat er dus vanuit dat je alleen een onderzoek mag vragen als iemand niét verdacht is. Dat verklaart waarschijnlijk het totale gebrek aan kritiek waaraan de PvdA-fractie, onder de knoet van haar wethouder, al jaren leidt.

Dat voor mij wethouder De Wilde elke geloofwaardigheid heeft verloren, heb ik de afgelopen week verschillende keren laten blijken. Daaraan heeft ook het coalitiekordon op deze avond weinig veranderd. Uit de reacties tijdens de raadsdiscussie kon ik opmaken dat de coalitiepartijen uit de hoek van Leefbaar Amersfoort een motie van wantrouwen of iets dergelijks hadden verwacht. Er heerste onbegrip en teleurstelling dat een dergelijke motie niet boven tafel kwam. Maar ja, was dat wel gebeurd, dan hadden er ongetwijfeld verwijten over een dergelijk ‘onverantwoordelijk’ initiatief geklonken. De wijze waarop de SP werd aangesproken maakte dat duidelijk: niet de dader (de wethouder) wordt op zijn verantwoording aangesproken, maar de bode die de integriteit van de wethouder aan de orde stelt. Wat kon de wethouder zich beter wensen dan een motie van wantrouwen die door een meerderheid, bestaande uit de coalitiepartijen, zou worden verworpen en daardoor het karakter van een uitspraak van vertrouwen zou krijgen. Dat verdient deze wethouder niet.

Eigenlijk is de meest tragische conclusie die waarschijnlijk uit de discussie van de afgelopen week is te trekken, de constatering dat wethouder De Wilde zich inderdaad van geen kwaad bewust is en er van overtuigd is naar eer en geweten te hebben gehandeld. Dat zou er op kunnen wijzen dat het normenbesef bij de wethouder, en ook bij de overige collegeleden die hem door dik en dun steunen, onvoldoende is ontwikkeld. Signalen in deze richting hebben zich al eerder voorgedaan, met als markant voorbeeld de buitenlandse reisjes die collegeleden op kosten van de bouwwereld hebben gemaakt.

Mijn opvatting is dat de coalitiepartijen wel de slag, maar niet de oorlog hebben gewonnen. Met het blokkeren van een onderzoek hebben zij voor de korte termijn het college weten te beschermen. Over een langere periode gezien kan het kortetermijndenken, zowel bij de wethouder als bij de defensief opererende collegepartijen, een tegengestelde uitwerking hebben. Van een aangeschoten wethouder kan je zeggen: aardig voor de oppositie, maar bitter slecht voor de stad.

Maandag 28 juni 2004

Deze avond kwamen zo’n honderd gemeenteraadsleden uit drie provincies in Amsterdam bijeen. Onderwerp van het door Ernst & Young georganiseerde seminar was: ‘Financiële positie onder druk’. Een gemêleerd gezelschap was bijeengekomen, met vertegenwoordigers van Den Helder tot Veenendaal, waarbij ook de grote steden, zoals Amsterdam, Amstelveen en Almere, ruimschoots waren vertegenwoordigd. Dat ik de enige vertegenwoordiger uit Amersfoort was, verbaasde mij – al moet ik wel opmerken dat collega Will Koet op het laatste moment vanwege dringende familieomstandigheden moest afzeggen.

Wat de bijeenkomst extra interessant maakte was de zogenaamde ‘meibrief’ van de minister van Binnenlandse Zaken, die net een week voor deze bijeenkomst is uitgekomen. In de brief wordt de meest actuele informatie verstrekt over de financiële verhoudingen tussen het Rijk en de gemeente, of anders gezegd: de meest actuele informatie over de consequenties van het Rijksbezuinigingsbeleid op de gemeentebegrotingen. In feite was het dus geen vrolijke bijeenkomst, wel leerzaam en informatief.

Minister Remkes heeft in zijn ‘meibrief’ enkele termen gebezigd die duidelijk weergeven dat de wind ons in het gezicht blaast. We gaan samen de trap op, dus we gaan er ook samen de trap af, is zo’n opmerking van de minister. Een dergelijke opmerking voorspelt weinig goeds, vooral ook als elders in de brief wordt geadviseerd dat de gemeenten de tering naar de nering moeten zetten. Om het afgaan van de trap in beeld te brengen: in de miljoenennota 2003 werd voorspeld dat de gemeenten op een groei uit het gemeentefonds konden rekenen van 3,9 procent, goed voor 536 miljoen euro. In het hoofdlijnenakkoord 2003 was het percentage al gezonken tot 2,9, in de miljoenennota 2004 liep het nog verder terug tot 1,9 procent. En nu staat de raming op min 0,1 procent. In beperkte tijd hebben de gemeenten dus 548 miljoen moeten inleveren. Overigens komt dit bedrag aardig overeen met de vijf miljoen die Amersfoort intussen aan bezuinigingen heeft vastgesteld: qua bevolkingsaantal komt één procent van de bezuinigingen op het gemeentefonds in de Keistad terecht.

Vanuit deze eenprocentsgedachte mag je stellen dat de meest recente raming, die op een landelijke bezuiniging van 12 miljoen neerkomt, Amersfoort 120.000 euro gaat kosten. Voor de begroting van 2005 kan het echter nog veel erger komen, na de ‘meibrief’ krijgen we in het najaar nog de ‘septemberbrief’ van de minister. Aan te nemen is dat de neergaande lijn van de afgelopen anderhalve jaar in de ‘septemberbrief’ wordt voortgezet. Een indicatie daarvoor is de poging van minister Zalm om het begrotingstekort onder de EG-richtlijn van drie procent te houden. Nu al is aangekondigd dat de vertaling van deze poging, die domweg uit verdere bezuinigingen bestaat, naar de gemeenten wordt doorberekend.

Een andere tegenvaller is te verwachten bij de OZB. De gemeenteraad heeft vorige maand besloten de OZB vanaf 2005 per jaar met één procent te verhogen, boven de aanpassing aan het inflatiepeil. Overigens was Leefbaar Amersfoort tegen deze OZB-verhoging. Voor 2005 komt daar nog eens één procent bovenop om een reductie uit 2004 te corrigeren, twee procent totaal dus. Het dreigende probleem is de maximering in de netto-tariefstijging voor de OZB die het Rijk wil opleggen. Het ziet er naar uit dat deze maximering op 1,5 procent uitkomt, zodat een deel van de door de raadsmeerderheid nagestreefde OZB-verhoging niet kan worden gerealiseerd. Voor de tegenstanders van deze verhoging een aardige opsteker, maar het zet de gemeentebegroting wel extra onder druk.

Tijdens het seminar kwam een aantal mogelijkheden aan de orde om extra financiële ruimte te creëren. Efficiency in de bedrijfsvoering, wijzigingen in de personeelsopbouw en bijstelling van nieuw beleid waren daarbij gebezigde steekwoorden. Speerpunten van Leefbaar Amersfoort, maar een vorm van vloeken binnen het Amersfoortse stadhuis.

Written by raphaelsmit

30/06/2004 at 11:37

Geplaatst in Uncategorized

leave a comment »

Zondag 27 juni 2004

De vernieuwing van de westelijke tuinsteden in Amsterdam behoort tot de grootste projecten die in het kader van de stedelijke vernieuwing in ons land worden uitgevoerd. Het afgelopen jaar heb ik twee keer aan excursies door wijken als Bos en Lommer en Osdorp deelgenomen. Met grote belangstelling las ik daarom in het NRC van dit weekend de bijdrage van Paul Scheffer, hoogleraar grootstedelijke problematiek, over de renovatie in Amsterdam-West. Uit deze bijdrage zijn lessen te trekken voor ontwikkelingen in Amersfoort.

Wat Paul Scheffer duidelijk maakt, is dat de maakbaarheid van onze samenleving beperkt is. Je kunt als overheid veel willen, maar als de maatschappij een andere kant op beweegt ontstaat er frictie, waarvan de negatieve gevolgen zich direct of in een later stadium op pijnlijke wijze melden. Al lezende herinnerde ik mij aan een van mijn wandelingen door Vathorst. In een van de straten staat een opvallend groot aantal royale koopwoningen nog te koop. Ik heb geen analyse van de oorzaak bij de hand, maar ik vermoed dat de tegenoverliggende huurwoningen in de lagere prijssector niet zonder invloed zijn. Waaruit blijkt dat de wens van het gemeentebestuur om per 500 woningen een mix van woningen tot stand te brengen, bij een technocratische oplossing tot problemen leidt. Een soortgelijk signaal, zij het met andere uitgangspunten, bleek afgelopen dagen ook uit de woede van een aantal woningeigenaren aan de Duifpolder in Vathorst, nadat de ontwikkelaar besloot om in het geplande wijkje met koopwoningen ook huurwoningen te ontwikkelen (in het duurdere huursegment, dat wel).

Wat Paul Scheffer in zijn artikel duidelijk maakt, is dat creatieve fysieke uitgangspunten bij de stedenbouw geen garantie vormen voor woningbouw met een duurzame kwaliteit. Het is nodig om ook vanuit de sociaal-geografische wetenschap naar bouwplannen te kijken. Dat betekent: hoe stuur je de maatschappelijke samenstelling in een wijk aan, aan welke stedenbouwkundige voorwaarden moet worden voldaan om mensen met verschillende culturele en maatschappelijke achtergronden met elkaar te kunnen laten samenleven.

In het naoorlogse Amsterdam heeft het stadsbestuur bijna veertig jaar lang vrijwel alle kaarten gezet op de sociale woningbouw. Daarbij speelden politieke dogma’s een belangrijke rol. Ik kan mij nog een aantal discussies herinneren tussen wethouders als Heerma en Jan Schaefer, discussies die overigens wel een omslagpunt in onze hoofdstad markeerden. De westelijke tuinsteden zijn een uitdrukking van dit denken. Overigens moet je bij de beoordeling van actuele maatschappelijke problemen in deze tuinsteden wel rekening houden met de tijd waarin de woningbouw daar werd gerealiseerd.

Amersfoort is anders bezig. Wij bouwen – net als in een aantal andere steden – vinexwijken waarbij wordt uitgegaan van dertig procent sociale woningbouw. Een deel daarvan vindt plaats in de koopsector en wordt gekocht door starters met een gunstig economisch perspectief. Pro saldo bouwen we de afgelopen vijftien jaar in hoofdzaak wijken voor de middeninkomens, de gewenste afspiegeling van de Amersfoortse populatie wordt in Amersfoort-Noord niet gerealiseerd.

Hierbij spelen bestuurlijke gemakzucht en de wensen van ontwikkelaars een grote rol. Wil je de gevolgen van maatschappelijke monomanie voorkomen – in de nieuwbouwwijken zo goed als in de naoorlogse wijken – dan zou je stedelijke vernieuwing en nieuwbouw veel meer aan elkaar moeten koppelen. Eigenlijk zou je, als de stedelijke vernieuwing stagneert, de nieuwbouwstroom moeten afremmen. Bij de planning zou niet alleen naar aantallen woningen en globale prijsklassen moeten worden gekeken, maar veel meer nog naar de sociale opbouw in de nieuwe wijken en in de stadsvernieuwingswijken, en dat in samenhang met elkaar. De geforceerde bouwplannen in Amersfoort-Noord, in hoofdzaak gericht op onze huidige middenklasse, vormen een risico voor toekomstige problemen. Daarover zou meer moeten worden nagedacht.

Zaterdag 26 juni 2004

Je te mogen inzetten voor het bestuur van onze stad, is een boeiende en ook eervolle zaak. Je kunt een aantal opvattingen verwezenlijken, bij voldoende invloed (macht) kan kritiek worden omgezet in werkzame maatregelen en, als alles meezit, voldoet het aan gevoelens van ijdelheid zoals ieder mens die bezit. Het nadeel van het openbare bestuur is dat de belangstelling ook tot kritiek, openbare beoordeling en onderlinge scoringsdrift leidt. Wie dat niet kan verdragen, kan zijn kwaliteiten beter inzetten in minder openbare functies: binnen maatschappelijke organisaties, het verenigingsleven of wijkorganisaties. Voor het politieke werk moet je eelt op de ziel hebben, en soms meer dan dat. Uitdelen en incasseren gaat vaak samen, voor de politiek geïnteresseerde buitenwacht leidt dat soms tot boeiende schouwspelen.

Wie van het politieke gekrakeel de meeste schrammen oploopt, zijn vaak niet de spelers zelve, maar hun directe omgeving. Bijna twee jaar geleden verscheen er in de Amersfoortse Courant een schotschrift tegen Leefbaar Amersfoort en in het bijzonder tegen mijn persoon. Scribent was een oud-raadscollega met wie ik goed kon opschieten, en nog steeds. Ik pareerde de persoonlijk gericht aanval met genoegen, waarna wij beiden bij de eerst voorkomende gelegenheid genoeglijk een drankje dronken en ons verbonden bleven voelen, zelfs nadat de scribent onlangs de raad verliet. Geen wolkje aan de lucht, geen schrammetje op de huid.

Dat lag anders bij mijn partner. Haar opmerking, verontwaardigd, was: ‘Hoe kan hij zoiets schrijven. Je hebt hem geholpen toen hij in de raad kwam, hij is te gast geweest bij ons thuis en hij kent jou goed genoeg om te weten dat, wat hij schrijft, nergens op slaat.’ Voor haar duurde het lange tijd voordat zij de persoonlijke aanval op mij was vergeten. En dat is de schaduwzijde van een politieke functie: als de wind je in het gezicht waait, zijn het vooral je huisgenoten die daar emotioneel onder lijden. Dat kan meer pijn doen dan alle hel en verdoemenis die politieke tegenstanders over je afroepen.

De praktijk is – uiteraard – dat degene die zelf het meeste uitdeelt, ook het risico loopt de hardste klappen te krijgen. Wie zich met grote overgave inzet voor een politieke carrière en daarbij elke truck en handigheid die daarin bijdraagt, rüchsichtlos hanteert, komt een keer zichzelf tegen. Of anders gezegd: wie persoonlijke relaties afhankelijk maakt van zijn eigen politieke streven, maakt meer vijanden dan vrienden. De tegenslagen die daarvan het gevolg zijn, komen vaak uit onverwachte hoek. En het gebeurt publiekelijk.

Wanneer binnen het stadsbestuur fouten worden gemaakt, in het beleid of op persoonlijk vlak, roept dit kritiek op. Dat deze kritiek ook gevolgen kan hebben voor de persoon of personen die daarvoor verantwoordelijk zijn, is daarbij niet uit te sluiten. Dat mag nooit een rem zijn op het uiten van kritiek, want dan faalt het openbare bestuur. Uiteraard is de mate van samenwerking en onderlinge verbondenheid bepalend voor de vorm van de kritiek en de vraag of zich dat primair binnenskamers of juist openbaar afspeelt. Wie zelf ook niet simpel is, moet ook kunnen incasseren. Dat betekent overigens niet dat bij alle kritiek een gevoel van mededogen geen rol kan spelen, zeker wanneer de gevolgen van de kritiek meer dan alleen de bekritiseerde persoon raken.

Openbaar bestuur is niet altijd leuk, iets dat elke deelnemer zich steeds moet realiseren. Daaraan moest ik denken toen ik deze dag een van de landelijke ochtendkranten las.

Vrijdag 25 juni 2004

Remkes heeft zich, toen hij nog geen minister was maar staatssecretaris Volkshuisvesting, opgeworpen als pleitbezorger voor het particuliere opdrachtgeverschap. Een goed liberaal standpunt: wie zelf zijn huis bouwt neemt zijn eigen verantwoording en benut de mogelijkheid om een onderdeel van zijn leven optimaal vorm te geven naar eigen inzicht, zonder daarbij de maatschappij of zijn medemensen tot last te zijn. Particulier opdrachtgeverschap doorbreekt niet alleen de saaiheid van onze grootschalige nieuwbouw, het emancipeert mensen en vergroot hun gevoel voor verantwoording. Goed liberale gedachten waarin ik mij – geen VVD-lid zijnde – best in kan vinden.

Dertig procent van de nieuwbouw zou door particulier opdrachtgeverschap tot stand moeten komen, zo luidde de boodschap van de staatssecretaris. Een nobel streven, dat nog steeds niet is bereikt. Het particuliere opdrachtgeverschap omvat nauwelijks meer dan twintig procent van de totale bouwproductie. Hierbij is rekening gehouden met allerlei vormen van collectief particulier opdrachtgeverschap. In dit percentage schuilt ook het particuliere opdrachtgeverschap dat traditioneel al tijdenlang plaatsvindt in het noorden, oosten en zuiden van ons land. Daar zijn voldoende kavels aanwezig voor het bouwen onder eigen regie.

Maar in de Randstad, en daarbij vooral in de grote bouwlocaties, is particulier opdrachtgeverschap een vloek in de kerk. Omdat in de nieuwbouwlocaties vrijwel alle grond in het bezit is van ontwikkelaars of gemeenten, komt het particuliere opdrachtgeverschap in het dichtbevolkte deel van ons land niet of nauwelijks op gang. Ontwikkelaars hebben de grond verworven om zelf te kunnen bouwen. In de meeste gemeenten remt conservatief denken binnen de technische afdelingen het particuliere initiatief af. Het is makkelijker praten met een ontwikkelaar die enkele honderden woningen in een slag bouwt, dan met honderden particuliere die elk hun eigen wensen hebben. Veel gemeentebestuurders vrezen dat het beoordelen van bouwaanvragen en verstrekken van bouwvergunningen, met het bijbehorende toezicht, aan honderden particulieren een zee van tijd vergt en financieel niet wordt gedekt door de gebruikelijke leges. Lastig, lastig, lastig.

Toch merken veel bouwondernemingen dat de belangstelling voor het zelf bouwen, ook buiten de traditionele gebieden, toeneemt. Ook weten zij dat een groot aantal particulieren misschien wel zelf wil bouwen, maar daarbij opzien tegen de inspanningen en risico’s die dat met zich meebrengt. Daar staat tegenover dat de rijksoverheid vasthoudt aan de eerder gestelde doelen en dat de informatie voor particuliere opdrachtgevers, onder meer via organisaties als de vereniging Eigen Huis, steeds meer aan kwaliteit wint. Ook is het niet uitgesloten dat de rijksoverheid bij de medewerking aan plannen zijn eisen ten aanzien van het particuliere opdrachtgeverschap gaat opschroeven.

Het is daarom niet verbazingwekkend dat ontwikkelaars zoeken naar middelen om de kopers van hun woningen meer keuze mogelijkheden te geven. Dat beperkt zich intussen niet meer tot de tegel van de badkamer of het verzetten van een wandje. Woonconsumenten worden in toenemende mate betrokken bij de ontwikkeling van hun woning. Het gebeurt nog op geringe schaal, maar de methoden die hiervoor worden ontwikkeld avanceren zich op duidelijke wijze. Dat ervoer ik deze dag tijdens een congres over innovatief bouwen. Een van de meest in het oogspringende ontwikkelingen werd gepresenteerd door Heijmans, een van de grote ontwikkelaars en bouwers in ons land.

Heijmans bouwt ook in Vathorst en elders in Amersfoort, het is bijna onze stedelijke huisaannemer. Toch heeft Heijmans zijn verregaand uitgewerkte systeem van consument gericht bouwen in Amersfoort nog niet geïntroduceerd. Misschien loopt de verkoop in onze stad nog te soepeltjes en hoeft het consumentgerichte bouwen waarmee elders succes wordt geboekt, in onze stad nog niet als marketingtechnisch wapen te worden ingezet. Vooreerst geniet de Tabakssteeg in Leusden de eer. Jammer!

Donderdag 24 juni 2004

De verhuisbehoefte in ons land is de afgelopen jaren gehalveerd. Dat blijkt uit een onderzoek van het OTB, het stedenbouwkundige onderzoekbureau van de Delftse Technische Universiteit, dat in opdracht van het NVB, een belangenvereniging voor bouwers en ontwikkelaars, is opgesteld. Uit het onderzoek blijkt dat niet het aantal ‘dromers’, mensen die misschien wel willen verhuizen, erg is afgenomen, maar dat de afname zich vooral voordoet bij de ‘planners’, de mensen met serieuze verhuisplannen. Dit is een ontwikkeling die ook het Amersfoortse gemeentebestuur zich moet aantrekken, bouwen is immers een van de belangrijke activiteiten waarmee ons gemeentebestuur zich bezighoudt.

Het OTB constateert dat er twee belangrijke knelpunten zijn. Er wordt te weinig gebouwd voor de jonge senioren (vijftigers en zestigers) en voor de welvarende gezinnen met kinderen. De jonge senioren willen graag woningen die zoveel mogelijk gelijkvloers zijn, met een tuin. Dergelijke woningen passen niet binnen de verkavelingpatronen in onze nieuwbouwwijken, waar gevechten om de vierkante centimeters worden gevoerd. Niet alleen stellen het OTB en de NVB dit, wie een wandeling maakt door Nieuwland of Vathorst kan dat niet anders dan bevestigen. Welvarende gezinnen met kinderen willen graag doorstromen naar een groene en kindvriendelijke omgeving, het liefst in een kleine rustige gemeente. Het tot nu toe gevoerde restrictieve beleid staat dit in de weg.

Het gevolg is dat een groot aantal gezinnen dat zou willen doorstromen, blijft zitten waar het zit. Deze ontwikkeling verbergt echter een tijdbom die tikt binnen vele vinexwijken. Minister Dekker heeft zich vastgelegd op een groeiende woningproductie. Op korte termijn moet die, zo is haar streven, toenemen tot 80.000 woningen per jaar, tegen nog geen 60.000 in deze tijd. Om haar doelstelling toch te bereiken, moet zij maatregelen nemen waardoor de potentiële doorstromers die nu niet in beweging komen, een marktproduct vinden dat hen aanspreekt. Indien het zover komt, neemt de druk uit de markt op de vinexlocaties af, een zaak die ook onze stad niet onberoerd zal laten.

Uit het onderzoek van het OTB blijkt dat de voorkeur voor appartementen laag is. Daarin schuilt een gevaar voor de woningmarkt: het huidige rijksbeleid gaat pro saldo uit van een aandeel van veertig procent appartementen in de nieuwbouwproductie. De belangstelling onder de woningzoekenden beperkt zich maar tot tien procent, zeven op de tien respondenten bij een uitgebreid onderzoek heeft zelfs verklaard absoluut niet naar een appartement te willen verhuizen.

Daar zitten we dan, met onze bouwplannen voor CSG-Noord, voor de vervangende nieuwbouw op de ziekenhuisterreinen en onze binnenstedelijke bouwplannen. Uit het onderzoek blijkt tevens dat de belangstelling voor de nieuwbouw grotendeels uit de eigen regio moet komen. Mensen die hun regio wel willen verlaten, hebben vooral een voorkeur voor kleinere gemeenten: 70 procent voor gemeenten tot 50.000 inwoners, bijna de helft wil zelfs naar het platte land of gemeenten met hooguit 25.000 inwoners. Deze cijfers worden op indirecte wijze ook bevestigd door onderzoek dat is gedaan onder de nieuwe bewoners in Vathorst.

De nieuwbouwproductie in onze stad is de kurk onder ons gemeentelijke beleid. Tegenvallers vertalen zich in tekorten, tekorten vertalen zich in een stagneren in de kwaliteit van de stad. Het is geen overbodige luxe om eens na te denken wat we met onze stad willen en kunnen, indien de groeiprognoses op los zand gebouwd blijken te zijn.

Written by raphaelsmit

28/06/2004 at 13:04

Geplaatst in Uncategorized

leave a comment »

Woensdag 23 juni 2004

Ik ben vergeten een feestje te vieren. Dat had moeten gebeuren op 10 mei: op die dag schreef ik mijn 500ste dagboekaantekening op deze site. Intussen zijn het er 544, bijna een ordner vol. Doorlezen van de aantekeningen levert een prachtig beeld op van het reilen en zeilen binnen onze stad, en dan in het bijzonder binnen de plaatselijke politieke. Alle aantekeningen zijn subjectief, persoonlijk en soms met een te giftige pen geschreven. Dat doet echter niets af van de documentaire waarde van het geheel – om maar eens onbescheiden te zijn.

Ik kwam hierop door het spotten van de site van ‘de stem van.NL’, iets wat ik zo één keer in de tien dagen even doe. Een boeiende informatiebron met een overzicht van de 300 persoonlijke site’s van Nederlandse politici. Niet alleen wordt er een goed overzicht van de site’s gegeven, de redactie van De stem van.NL licht er elke dag ook enkele uit en brengt ze extra onder de aandacht. Uit de dagboeken van collega-raadsleden in andere gemeenten valt soms een aardige les te leren.

De verdeling van de site’s is interessant: 92 raadsleden, 23 wethouders, 1 stadsdeelvoorzitter, 8 burgemeesters, 28 statenleden, 6 gedeputeerden, 91 Tweede-Kamerleden, 4 staatssecretarissen, 7 ministers, 3 Eerste-Kamerleden, 36 europarlementariërs en één eurocommissaris (Frits Bolkenstein). Om er een groep uit te lichten: bij de burgemeesters gaat het om die van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Almere en Leiden, 2 kandidaten en een oud-burgemeester (Magreet de Boer van Leeuwarden). Opvallend: de vijf burgemeesters hebben allen een landelijke politieke carrière achter de rug. Het hoge aantal kamerleden en europarlementariërs hangt ongetwijfeld samen met het feit dat zij gebruik kunnen maken van aangeboden faciliteiten.

Van de 92 raadsleden zijn vier uit Amersfoort: Fleur Immink, Gerard van Vliet, Ruud Schulten en ik. De site van Fleur is sinds 13 april niet meer bijgewerkt, maar dat hangt waarschijnlijk samen met haar activiteiten rond de euroverkiezingen – Fleur is voorlichtster Europa bij de PvdA. De site van Gerard van Vliet is eveneens dood, wat opvallend is omdat zijn site ook een onderdeel vervat dat kritisch is over de kwaliteit en actualiteit van andere politieke site’s in onze stad. Kom op Gerard, laat weer eens iets van je horen.

Om maar eens een voorbeeld te geven van het nut van site’s van raadscollega’s uit andere steden, kan ik bijvoorbeeld die van Rosita van Gijlswijk uit Groningen noemen. Ook al zou zij familie van het Amersfoortse VVD-raadslid Hans van Gijlswijk zijn, dan is er toch een belangrijk verschil: Rosita is lid van de SP.

Op haar site gaat zij in op het feit dat B en W van Groningen de stekker er uit hebben getrokken bij de stichting Welzijn in Groningen, kortweg genoemd Wing. Hierdoor dreigen 11 buurthuizen te worden gesloten en komen 270 medewerkers uit het welzijnswerk op straat te staan. Wing heeft intussen een kort geding aangespannen tegen het gemeentebestuur. De site van Rosita beschrijft enigermate hoe het bij ons had kunnen gaan met de SWA.

Het gemeentebestuur van Groningen heeft drie scenario’s gepresenteerd. Als het met de financiële malaise bij Wing meevalt (schijnbaar moet dat nog worden onderzocht!), dan wil het gemeentebestuur nog wel geld bijpassen. Het tweede scenario omvat een hulpactie onder de voorwaarde dat er bij Wing ingrijpend wordt gereorganiseerd. Het derde scenario treedt in werking als de chaos zo groot is als wordt gevreesd: dan staan inderdaad 270 mensen op straat. Rosita is met een vierde oplossing gekomen: richt een gemeentelijke dienst voor het welzijnswerk op en breng het werk van Wing daarin onder. Haar voorstel heeft in elk geval een aantal reacties opgeleverd en een discussie op gang gebracht.

Written by raphaelsmit

23/06/2004 at 19:40

Geplaatst in Uncategorized

leave a comment »

Dinsdag 22 juni 2004

Hoeveel invloed heeft de gemeente op het vervoersgedrag van de inwoners van onze stad? En aan deze vraag gekoppeld: loont het zich om investeringen voor het openbaar vervoer en voor het fietsverkeer uit te breiden? Dit was een van de moeilijke vragen tijdens de commissie Beheer op deze avond. De vraag in hoeverre je de zogenaamde modal split (de verhouding tussen het gebruik van de fiets, het openbaar vervoer en de eigen auto) kunt beïnvloeden, leverde een discussie op tussen wethouder Brink en een aantal gemeenteraadsleden. Een oplossing leverde deze discussie niet op, en dat is ook wel logisch.

Het college verwacht dat de komende dertig jaar het aantal locale verplaatsingen zal verdubbelen, door de voortgaande groei van de stad en door een toenemende mobiliteitsbehoefte. De meeste raadsleden denken politiek correct: het gebruik van de fiets en van het openbaar vervoer moet tot 2015, procentueel gezien, toenemen, het autoverkeer moet relatief gezien drie tot vijf procent afnemen. Deze wijzigingen in de modal split moeten een dwingend onderdeel worden in de kadernotitie over het geactualiseerde Verkeers- en Vervoersplan (VVP).

Wethouder Brink verzette zich met hand en tand tegen een dergelijke taakstelling. Zijn argumenten daarbij zijn, kort weergegeven: het autobezit blijft groeien, allerlei maatregelen in de afgelopen jaren hebben geen ingrijpende wijzigingen in de vervoerskeuze opgeleverd, als je in een taakstellende nota de wijzigingen in de modal split vastlegt, vraag je om iets onmogelijks. Raadsleden betoogden daarentegen dat de ervaringen uit de afgelopen jaren niet maatgevend kunnen zijn. Een groot aantal plannen die in het VVP waren opgenomen, zijn nog niet uitgevoerd zodat de effecten daarvan nog niet meetbaar zijn. Voorbeelden: de aanleg van hoogwaardige busverbindingen en van nieuwe snelfietspaden.

Gevoelsmatig neig ik er toe om de wethouder gelijk te geven, maar het kan net zo goed anders zijn. Toch is een standpunt hierin nooit weg: het bepaalt in elk geval hoeveel geld voor welke verkeersprojecten je zou willen uitgeven. Eigenlijk had tijdens de discussie iedereen gelijk en iedereen ongelijk. Het is een sprookje te menen dat je met enige zekerheid kunt zeggen hoe het verkeersgedrag van mensen zich de komende tien tot vijftien jaar gaat ontwikkelen. Of extra investeringen voor de fiets en het openbaar vervoer, en dan praten we over tientallen miljoen euro, enig effect hebben op de modal split, is totaal onvoorspelbaar. Je moet je ook afvragen waar de grens ligt bij de mate van overheidsbemoeienissen ten opzichte van het particulier verkeersgedrag.

De raad kan veel plannen maken, maar de praktijk is weerbarstig. De oorspronkelijke plannen voor hoogwaardig openbaar vervoer liggen al lang in de vuilcontainer. Snelfietspaden door bestaande wijken leveren veel discussie en uiteindelijk een compromis op, waarbij van de oorspronkelijke doelstelling weinig terecht komt. Een goed systeem van stadsrandparkeren, inclusief aantrekkelijk aansluitend openbaar vervoer, ontbeert nog steeds de noodzakelijke steun, het idee van enkele partijen om een deel van de parkeergarages te sluiten levert kapitaalvernietiging op en is niet uitvoerbaar door eigendomsverhoudingen, halten voor het stadsrandspoor bij de Koppelpoort en de Dierentuin zitten er voorlopig niet in, en ga zo maar door.

We moeten voorkomen dat er onevenredig veel geld wordt gestoken dogma’s en stokpaardjes. Uiteindelijk zijn wij er voor de mensen in de stad en moeten we ons dus afvragen of een je groot deel van de gemeentelijke middelen in projecten moet steken die door een meerderheid van de mensen niet wordt gewenst. Het openbaar vervoer in de voormalige DDR was uitstekend geregeld en langs economische weg werd het autobezit er beperkt. Uiteindelijk kozen de mensen daar echter voor meer mobiliteit en bananen – en dat vonden we in ons welvarend Amersfoort een logische keuze.

Maandag 21 juni 2004

Vorige week werd ik, tijdens de commissievergadering SOC, aangesproken door een lid van de oudheidkundige vereniging Flehite. Er werd die avond onder meer gesproken over de fusieplannen tussen het Flehitemuseum en De Zonnehof. Aan die discussie gekoppeld was een voorstel van raadscollega Liedeke Willenborg, dat voorzag in ‘verplaatsen’ van het Zonnehofpaviljoen naar het Eemcentrum en het achterwege laten van de geldverslindende huur van 1.500 vierkante meter expositieruimte in het te bouwen kantoor van de Rijksgebouwendienst aan het Smallepad.

De dame van de oudheidkundige vereniging wees mij er op dat het bij de fusieplannen om twee stichtingen gaat, maar dat de oudheidkundige vereniging hierbij niet is betrokken. Een eigenaardige zaak, want de museumpanden behoren niet aan de fusiestichting maar aan de vereniging, die ook eigenaar is van een groot deel van de collectie. Dat enkele dagen later Kees Kranen van de Burgerpartij hierover schriftelijke vragen stelde, verbaasde mij dus niet. Net zomin als de e-mail die ik vandaag van een bewoner aan de Verdiweg ontving en waarin de ondoordachte financiering van de fusieplannen werd gehekeld.

Goed beschouwd draait alles om de wens van de gemeente om in het gebouw aan het Smallepad 1.500 vierkante meter expositieruimte te huren. Ons gemeentebestuur is trots als een aap met vijf staarten op de komst van het nieuwe gebouw, bestemd voor de Rijksdiensten voor de monumentenzorg en oudheidkundig bodemonderzoek en ontworpen door een toonaangevende Spaanse architect. Een klein probleempje: het gebouw is een ietsepietsje te groot voor de twee rijksdiensten. De Rijksgebouwendienst heeft oorspronkelijk gezocht naar een derde gebruiker, maar deze zoektocht leverde niet het gewenste resultaat op. Maar ziedaar: de gemeente Amersfoort is bereid een deel van de overbodige ruimte te huren.

Wie de relaties kent tussen de directies van de twee rijksdiensten, Amersfoortse musea en het college met zijn ambtelijke top, kan zich over het royale aanbod van ons gemeentebestuur niet verbazen. Dat door de huur in het nieuwe gebouw en het verplaatsen van de het Zonnehofactiviteiten er een extra beslag op de gemeentebegroting ontstaat van 260.000 euro jaarlijks, mag de pret niet drukken. Als het om bestuurlijke ambities gaat, laat ons college het graag breed hangen.

Drie jaar geleden kwam het voorstel voor de kostbare huurplannen voor het eerst in een raadscommissie aan de orde. Die was niet enthousiast, integendeel. De wethouder cultuur werd teruggestuurd en kreeg de opdracht eerst maar eens te zien hoe het met de dekking zat en of de verhuizing van de activiteiten in het Zonnehofpaviljoen niet voor wat minder geld naar een andere locatie mogelijk is. Wie denkt dat dit verzoek van de commissie iets heeft opgeleverd, kent de stijfkoppigheid van onze wethouder cultuur/financiën niet, net zo min als de ondoorgrondelijkheid van de WSO-directie in onze stad.

In de e-mail die ik vandaag ontving werd terecht zorg uitgesproken over het voorstel van wethouder De Wilde om de extra kosten voor het Smallepad door een fusie en door ombuigingen elders binnen de gemeentelijke cultuurbegroting te bekostigen. Dat betekent, aldus de schrijver, dat andere culturele instellingen worden gekort, rechtstreeks of indirect door dat ze hogere huren voor ruimte moeten gaan betalen. Verbaasd is hij ook over het feit dat eerst tot de fusie wordt besloten en daarna pas de toegezegde externe audit (een soort organisatie- en financiënonderzoek) wordt doorgevoerd. De schrijver wijst op eerdere negatieve ervaringen zoals de Flint en de SWA – ik zou er nog enkele aan kunnen toevoegen.

Maar ja, het is de vraag of over enkele jaren, als een rekenkamer de gevolgen van de mogelijke fusie en de duurbetaalde huurplannen onderzoekt, de huidige wethouder nog daarop kan worden aangesproken.

Zondag 20 juni 2004

Al enkele jaren worden gemeenteraadsleden bestookt met brieven van de heer Verhoef, registeraccountant. Hij beschuldigt een groot aantal gemeenten ervan dat de jaarrekeningen niet kloppen en er een deel van het batig saldo op de rekening door het gemeentebestuur wordt weggemoffeld. In de visie van de heer Verhoef zouden de gemeenten veel rijker zijn dan ze doen voorkomen. Een constatering die niet onopgemerkt kan blijven, want als deze constatering juist is, zou een aantal bezuinigingen binnen de gemeentebegroting 2005 achterwege kunnen blijven.

De afgelopen jaren is door het college, gesteund door de accountant die de stukken van Amersfoort controleert, gewezen op een foutieve redenering van de heer Verhoef. Er blijft, zo was steeds de toelichting, inderdaad geld over. Maar gedurende het begrotingsjaar worden de gemeenteraad steeds voorstellen voorgelegd om nieuwe, niet voorziene uitgaven via een tussentijdse begrotingswijziging te dekken. De dekking vindt in het algemeen plaats via meevallers elders binnen de begroting. Het positieve saldo waar de heer Verhoef op doelt, is dus al tussentijds besteed, met goedkeuring van de gemeenteraad.

Het systeem van tussentijdse begrotingswijzigingen past niet in het nieuwe systeem van de duale raad. In 2002 vond het voor de laatste keer plaats, vanaf 2003 krijgt de gemeenteraad aan het einde van het jaar het totale saldo voorgelegd en kan over de besteding daarvan worden besloten.

Vorige week ontvingen de Amersfoortse gemeenteraadsleden opnieuw een brief van de heer Verhoef (twee keer zelfs, want Hans van Wegen stuurt dergelijke brieven nog eens extra naar zijn collega’s, waarschijnlijk in de veronderstelling dat hij als enige op de maillijst van briefschrijvers staat). Onbedoeld bevestigt de heer Verhoef in zijn brief de toelichting die afgelopen jaren door het college werd gegeven en die er toe leidde dat de heer Verhoef weinig respons op zijn brieven kreeg. In zijn recente brief geeft de heer Verhoef een overzicht van de jaarlijks ‘verzwegen’ saldi gedurende de afgelopen vier jaren. Het verloop van de verzwegen saldi is als volgt: in 2000: 17 miljoen euro, in 2001: 4,5 miljoen euro, in 2002: 3,8 miljoen euro, in 2003: 0,5 miljoen euro.

Het feit dat het rekenverschil in 2003 ineens minimaal (vergeleken met de totale begroting)is geworden, is opmerkelijk – maar eigenlijk ook niet. De winst- en verliesrekening waarover de raad volgende week een oordeel moet geven, sloot met een opmerkelijk hoog saldo af: 16,3 miljoen euro. Volgens de heer Verhoef zou dat zelfs 16,8 miljoen euro moeten zijn, maar dat kleine verschil moet verklaarbaar zijn, lijkt mij. De getallenreeks, afgezet tegen de nieuwe systematiek binnen de duale raad, is feitelijk een onderbouwing van de argumenten die de afgelopen jaren zijn gehanteerd.

Het college heeft in de jaarstukken de 16,3 miljoen euro saldo-overschot toegelicht, het grootste deel van het geld betreft min of meer verbonden posten. Uiteindelijk blijft er een echt, nog te besteden, overschot over van 4,5 miljoen euro. Bij een deel van de bijna twaalf miljoen waarvoor het college al een bestemming heeft, zijn nog wel kanttekeningen te zetten. Dat gebeurt volgende week. Het bedrag dat als echt saldo overblijft, zou de gemeenteraad naar mijn mening moeten reserveren voor de komende begrotingsvoorstellen die in november wordt besproken. Sinterklazen met de ongeveer vijf miljoen euro terwijl we weten dat in het najaar heel wat financiële kommer en kwel aan de orde komt, lijkt mij geen goede zaak.

Written by raphaelsmit

23/06/2004 at 13:10

Geplaatst in Uncategorized

leave a comment »

Zaterdag 19 juni 2004

Amersfoort behoort niet meer tot de toptien van meest aantrekkelijke woongemeente. Volgens een onderzoek dat in opdracht van Elsevier is verricht, staat Amersfoort op plaats 17. Dat blijkt uit het omslagartikel ‘De beste gemeenten’, deze week door dit weekblad gepubliceerd. Toch is de 17de plaats geen zaak om dikke tranen bij te laten vloeien, de meting betreft 483 gemeenten zodat een 17de plaats nog zo gek niet is. Van de grote steden neemt de Keistad een tweede plaats in, na Arnhem.

Iets minder florissant is het resultaat bij de uitsplitsingen over de verschillende onderdelen van het onderzoek. Vroeger stond Amersfoort nog wel eens aan de top van verschillende onderzoeken, bij het recente Elsevieronderzoek is dat anders. Bij de categorieën Beste woonomgeving, Meeste voorzieningen, Veiligste gemeenten, Meeste zorg, Sterkste economie, Meeste vrijetijdsvoorzieningen en Meest welvarende inwoners, staat onze stad niet in de top vijf . Dat staat zij alleen in de categorie Best bereikbaar, en daar op de vierde plaats. In de topvijf van de verschillende categorieën moet Amersfoort een aantal grote steden duidelijk voor laten gaan. Bij Meeste voorzieningen zijn dat Maastricht, Roermond, Amsterdam, Middelburg en Hilversum. Utrecht en Schiedam blijken beter bereikbaar te zijn Haarlemmermeer, Nieuwegein, ‘s-Hertogenbosch, Son en Breugel en Woerden bezetten de topvijf bij de Sterkste economie.

Interessant is het om de 22 rubrieken te bekijken die het onderzoek van Elsevier heeft gehanteerd. De meeste daarvan betreffen een weging aan de hand van het gemiddelde voor ons land. Dat geeft de mogelijkheid om de lage scores van de stad te bekijken en er conclusies uit te trekken. Zo blijkt binnen de sector wonen Amersfoort zeer matig te scoren ten aanzien van het aanbod grote huizen. Zeer matig scoort de stad ook op het punt van de veiligheid. Bij de sector Vrije tijd scoort Amersfoort zeer matig ten aanzien van de sportaccommodaties. Bij de positie van de inwoners scoren we matig als het om welvarendheid gaat.

Het zeer matige scoren bij de grootte van de woningen en bij de veiligheid heeft veel te maken met de schaal van de stad, wat overigens een excuus mag zijn om hierin geen verbeteringen aan te brengen. De matige score op welstandsgebied is een rechtstreeks gevolg van de grootte van de stad: de grotere gemeenten hebben relatief meer uitkeringstrekkenden en scoren bovengemiddeld bij het aantal allochtonen. Opvallend is de zeer matige score bij de sportaccommodaties. Uitgangspunt voor de onderzoekers was het aantal sportvoorzieningen en de oppervlakte daarvan per duizend inwoners. Amersfoort is wel een sportieve stad, maar veel inwoners sporten buiten verenigingsverband en maken gebruik van ruimten die niet specifiek voor sport zijn bestemd: de openbare ruimte door hardlopers, de Eem door roeiers en het stratenpatroon door fietsers. Toch knaagt dit onderdeel van het onderzoek bij mij. Als we ons tot meest sportieve stad uitroepen, maken we dan gebruik van vergelijkbare meetpunten en tellen we niet te gemakkelijk mensen mee die ‘wel eens’ op de fiets stappen, op een openbaar veldje met de kids tegen een bal trapt of op warme zomerdagen naar het zwembad trekken?

Zeer goed scoort Amersfoort bij de onderwijsvoorzieningen, het aantal huis- en tandartsen, de bereikbaarheid met trein en auto, de economie en culturele voorzieningen. Vooral aan deze scores hebben we de 17de plaats te danken. Goed scoren we bij winkels en verkeersveiligheid, de aanwezigheid van ziekenhuizen en verpleeg- en verzorgingstehuizen en bij uitgaan en eten. En voor de rest maakt het weinig uit of de stad op een 17dde of 170ste plaats staat, als inwoner bepaal je je gevoel voor welzijn in belangrijke mate zelf, onafhankelijk van de rangorde uit een onderzoek.

Vrijdag 18 juni 2004

‘Afspraken maken helpt niet tegen uitgaansgeweld’. Dit is de kop boven een artikel in de Amersfoortse Courant van deze dag. Het artikel waarboven deze kop staat, gaat in op een onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Op basis van dit onderzoek stelt de krant: ‘Het geweld in en rondom cafés en disco’s in het weekeinde is niet minder geworden nadat gemeenten met andere betrokken partijen een zogeheten Convenant Veilig Uitgaan hebben afgesloten.’ 75 gemeenten hebben een dergelijk convenant, maar dat heeft volgens de Algemene rekenkamer ‘geen enkel aantoonbaar effect’ op het geregistreerde geweld.

Een interessante publicatie, enkele dagen na de discussie over de vestiging van een disco tussen Hellestraat en Westsingel. B en W zetten bij hun pogingen om de disco, tegen de wil van de omwonenden in, op deze plek te vestigen vooral in op afspraken met de exploitant van de disco. Aan het effect daarvan wordt weinig geloof gehecht, eerder leeft het gevoel dat de gemeente een taak afschuift die zij eigenlijk zelf heeft te vervullen. Uit het onderzoek van de Algemene Rekenkamer mag je in elk geval concluderen dat het college zijn zin probeert door te drukken op basis van toezeggingen die in de praktijk dus boterzacht blijken te zijn.

Dat het college hoe dan ook zijn zin wil doordrijven, geeft te denken. Het vermoeden dringt zich op dat het college, of de directie van de afdeling WSO, zich al in verregaande mate heeft vastgelegd ten aanzien van de beoogde exploitant. Het zal niet de eerste keer zijn dat B en W de raad onder druk zet omdat er al toezeggingen zijn gedaan in de richting van ondernemers. Rondom de disco is de positie van de firma Krijco niet onbelangrijk. Dat Krijco B en W onder druk zet, is niet verwonderlijk: zij heeft de vroegere Corsobioscoop aangekocht en wil daar activiteiten ontwikkelen. De vraag is natuurlijk: heeft de koop van het pand plaatsgevonden nadat vanuit het stadhuis signalen zijn afgegeven die de aankoop hebben gestimuleerd? Als dat zo is, dan moet dat boven tafel komen. Als dat niet zo is, dan praten we hier over simpel ondernemersrisico. Aan dat laatste geloof ik niet, daarvoor lijkt mij de firma Krijco te verstandig.

Dat het college zich (onder druk van wie?) weinig gelegen laat liggen aan de mening in de raad, is deze week wel gebleken. In de commissievergadering ECO, afgelopen maandag, kwam als brede mening naar voren dat de notitie over de discovestiging niet ongewijzigd in de inspraak kan worden gebracht. Maar binnen 24 uur publiceert het college een persbericht waarin het meedeelt de bekritiseerde nota vrij te geven voor inspraak. Dit na peiling in de commissie ECO, aldus het persbericht. Hoe de uitslag van die peiling was, wordt niet vermeldt. Logisch, want dan had het college zichtbaar moeten erkennen dat het de uitspraak van de raad aan zijn laars lapt en gemaakte afspraken met een ondernemer belangrijker vindt.

Vermeldenswaard is nog een ander punt. Een van de leden van de bewonersstichting die zich tegen de komst van de disco buiten het horecakerngebied verzet, heeft de raadsleden gewezen op de zogenaamde Klankbordgroep. Dit is een overleggroep waarop het college zich bij haar dringen voor de disco op beroept. Het college probeert met het bestaan van deze Klankbordgroep de indruk te wekken dat de omwonenden bij de gedachtevorming over de discovestiging zijn betrokken. Dat is de vraag. In deze Klankbordgroep zitten een tiental bewoners, twaalf ambtenaren en vertegenwoordigers van de firma Krijco. Dat het vertrouwen van de bewoners in de Klankbordgroep meer dan beperkt is en er al uittreding heeft plaatsgevonden, mag evident worden genoemd. Bewoners mogen aanwezig zijn bij gesprekken over een al lang besloten zaak.

En dan hebben we nog het gegoochel met de cijfers. Uitgangspunt voor het college lijkt een onderzoek te zijn dat Marketresponse in opdacht van Krijco heeft uitgevoerd. Het college gaat geheel voorbij aan de uitslag van het digipanel, een elektronisch onderzoek van de gemeente. Daaruit blijkt dat slechts 24 procent van de respondenten kiest voor een disco in de binnenstad, 31 procent kiest voor een disco in het Eemcentrum en 39 procent voor een locatie met weinig omwonenden. Maar dat onderzoek past niet in het straatje van het college!

Written by raphaelsmit

20/06/2004 at 10:37

Geplaatst in Uncategorized

leave a comment »

Donderdag 17 juni 2004

Een van de gesprekspunten tijdens de fractievergadering van vandaag is de opwinding die is ontstaan rondom wethouder Jan de Wilde. Zijn onderhandse aankoop van een woning in Stoutenburg en de wijze waarop dit is gegaan, zijn door de SP in een kritische brief aan de raad aan de orde gesteld. De reactie van het college en van de wethouder zelf was zwak en maakte de zaak alleen maar erger. Op grond van de nu bekende feiten – en die zijn voldoende om een eerste oordeel te vormen – kan worden vastgesteld dat de wethouder nog nauwelijks op integere wijze zijn functie kan invullen. Extra aandacht besteedde de LA-fractie aan de rol van de Stichting Het Utrechtse Landschap.

Het Utrechtse Landschap, een stichting die in 1927 werd opgericht, beheert in onze provincie zo’n veertig gebieden, met een totale oppervlakte van ongeveer 4.000 hectare. De stichting heeft de natuurgebieden op verschillende wijze verworven: door zelf aan te kopen, door legaten of door overdrachten en dergelijke. De afgelopen jaren was de overdracht van ruim 600 hectare bossen door de gemeente Zeist een van de belangrijkste wapenfeiten voor de stichting. De Amersfoortse gemeenteraad heeft de afgelopen jaren de wens uitgesproken om een aantal natuurgebieden binnen de Amersfoortse gemeentegrenzen over te dragen aan Het Utrechtse Landschap. Daarbij moet worden gedacht aan Birkhoven en Nimmerdor. Een dergelijke overdracht is een actie waarbij ook veel geld een rol kan spelen, denk maar aan de afhandeling van achterstallig onderhoud.

De stichting is nauw verbonden met het Utrechtse bestuur en met veel gemeentebesturen. Een deel van zijn inkomsten verwerft de stichting door bijdragen van de overheid. Eigenlijk is de stichting een semi-openbare instelling en beslist geen particulier speeltje van enkele gefortuneerde burgers. Dat legt dus bepaalde verplichtingen op. Indien uit het onroerend goed dat door de stichting wordt beheerd inkomsten zijn te verwerven, moet in elk geval worden gestreefd naar een maximaal rendement, zeker bij de verkoop van goederen. Bij het vervreemden van goederen moeten ook vormen van vriendjespolitiek worden vermeden.

Bij de verkoop van een woning van de stichting aan de Amersfoortse wethouder is er op twee punten iets goed fout gegaan. De woning is onderhands verkocht, op basis van een tweetal taxatierapporten. Dat zegt op zichzelf niet veel. Enkele jaren geleden wisselden heel wat woningen tegen prijzen ver boven de taxatiewaarde van eigenaar, voor geliefde plekken is dat nog steeds het geval. Om een maximale opbrengst voor een landschappelijk aantrekkelijke woning te realiseren, was verkoop bij inschrijving een beter middel geweest. Verwijzingen naar taxatiewaarden hebben slechts relatieve waarde.

En bij de onderhandse verkoop denk je al gauw aan vriendjespolitiek. In het geval van Jan de Wilde was dat ook zo. De stichting kende onze wethouder al zo’n twintig jaar en was goed geïnformeerd over zijn familieomstandigheden, waar positief over werd gedacht. Jan de Wilde behoort dus bij de innercircle van de stichting. Ons gemeentebestuur heeft in het verleden kritiek geuit op makelaars en aannemers die in nieuwbouwprojecten de mooiste woningen niet in de verkoop brachten, maar doorschoven naar goede relaties. In het geval van Jan de Wilde is het niet anders gegaan, afgaande op de opmerkingen van de stichting en van Jan de Wilde zelf. Dus is er sprake van vriendjespolitiek!

De brief van de SP is door een raadslid geattaqueerd met de opmerking: dan mag ik zeker ook niet in een woning van de SCW wonen. Met deze opmerking wordt het gebrekkige inzicht van de spreker onder bewijs gesteld. Een raadslid dat via de gebruikelijke procedure een woning huurt bij de SCW, is niets te verwijten. Anders is het wanneer de SCW een aantrekkelijke woning, tegen de regels in, niet openbaar in de verhuur brengt, maar onderhands toewijst aan een raadslid. Dat zou een kwalijke zaak zijn. En zo is het bij onze wethouder ook ongeveer gegaan. Dat hij dat zelf niet heeft ingezien, is hem meer dan kwalijk te nemen.

Written by raphaelsmit

18/06/2004 at 12:54

Geplaatst in Uncategorized

leave a comment »

Woensdag 16 juni 2004

In september 2000 organiseerde de Stichting Het Utrechtse Landschap haar ‘Week van het landschap’, dat jaar bij het landgoed Stoutenburg. Hoogtepunt van de week was het ondertekenen van de intentieverklaring ‘Venster op de vallei’. Namens de gemeente Amersfoort zette wethouder Jan de Wilde zijn handtekening onder de verklaring. In de gelijktijdig gepresenteerde brochure Venster op de Vallei werd de intentie nader uitgewerkt.

Onder het motto ‘Rood voor groen’ wordt in de brochure onder meer gepleit voor mogelijkheden voor wonen in het bekengebied ten oosten van Amersfoort en de aanleg van landgoederen ten noorden van Vathorst. Het begrip Landgoederen is in kringen van natuur en milieu, net als bij planologen, niet onbekend. Hierbij wordt gedacht aan kleine hoeveelheden woningen in het groen – de hoeveelheden blijken in de praktijk op te kunnen lopen tot enkele honderden. De visie van de Stichting Het Utrechtse landschap is rechtstreeks terug te vinden in de nota over de groen-blauwe structuur die vorige jaar onder regie van Jan de Wilde is gepresenteerd.

Uiteraard heeft wethouder Jan de Wilde, dankzij zijn functie, nog veel meer relaties met de Stichting Het Utrechtse Landschap, rechtstreeks of indirect. Rechtstreeks in elk geval als pachter. De stichting heeft hem enige tijd geleden – het college was nog niet gevallen en Jan de Wilde was verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de groen-blauwe structuur in en om onze stad – benaderd en hem de mogelijkheid gegeven in Stoutenburg een huis te kopen en de omliggende gronden te pachten. De stichting zocht voor de woning een gezin met kinderen, ‘Rustige en betrouwbare bewoners’, zoals een woordvoerder van de stichting gisteren heeft opgemerkt. De provincie telt duizenden van deze gezinnen, maar door zijn functie en relatie met de stichting viel Jan de Wilde extra in het oog. Dat op zich mag je al een bevoordeelde positie noemen.

De stichting benaderde Jan de Wilde. ‘Als dat niet was gebeurd, had ik nooit verhuisplannen gemaakt,’ aldus de wethouder. Dat is de tweede stap. De eerste stap had de overweging moeten zijn: kan ik op dit aanbod ingaan. Dat moet je altijd doen indien je als wethouder een geschenk krijgt aangeboden van een relatie, dat moet je dus helemaal doen als je een huis met omliggende gronden te koop en pacht krijgt aangeboden. De prijs doet hierbij niet terzake. Een bestuurder met voldoende gevoel voor integriteit had het moeten afslaan. Als openbaar bestuurder zit je in een glazen huis, sommige dingen die anderen wel doen, kun je niet maken. Dat is de schaduwzijde van het openbare ambt. Overigens geven onze collegeleden er vaker blijk van de grenzen van de integriteit niet te herkennen. Een schrijnend voorbeeld daarvan is de schaamteloosheid waarmee aangeboden reisjes van onroerend-goedbedrijven worden aangenomen.

De SP heeft terecht de transactie tussen de wethouder en een van de gesprekspartners van onze stad aan de kaak gesteld. Het college probeert de aandacht van de zaak af te leiden door de SP te verwijten zich niet aan procedures te hebben gehouden. Net als Wim van Gammeren moet ik erkennen dat ik deze regels niet kende, ik heb er ook nooit voor getekend of wat dan ook. Ik vind het een verantwoording voor elke afzonderlijke partij hoe zij zaken waarbij zij ernstige vraagtekens zet, aan de orde stelt. Dat dit in het openbaar gebeurt, is zelfs toe te juichen, ook al past dat misschien niet binnen de introverte cultuur die het stadhuis nog steeds eigen is.

Juist de reactie van het college, en Jan de Wilde in het bijzonder, laten maar een conclusie toe: de wethouder doet er verstandig aan zijn functie beschikbaar te stellen.

Written by raphaelsmit

17/06/2004 at 08:54

Geplaatst in Uncategorized